ECLI:NL:GHAMS:2019:2662
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige ondanks positieve ontwikkeling
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn zus werd verleend. De moeder betwistte de noodzaak van de uithuisplaatsing, stellende dat het schoolverzuim was aangepakt en de minderjarige weer bij haar wilde wonen.
De gecertificeerde instelling (GI) voerde aan dat het schoolverzuim ongeoorloofd was en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk bleef voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige zelf gaf aan zich meer ontspannen te voelen bij zijn zus en gemotiveerd te zijn om naar school te gaan.
Het hof oordeelde dat ten tijde van de beschikking sprake was van een zeer zorgelijke situatie met fors schoolverzuim en weinig verbetering ondanks hulpverlening. De uithuisplaatsing had een positieve invloed gehad en het negatieve patroon doorbroken. Hoewel de uithuisplaatsing op het moment van het vonnis niet langer noodzakelijk was, bleef zij gedurende de geldigheidsduur gerechtvaardigd.
Daarom werd de beschikking bekrachtigd en het beroep van de moeder afgewezen. Het hof benadrukte het belang van betrokkenheid van de zus en de neef bij de verdere verzorging en opvoeding om de positieve ontwikkeling te bestendigen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij zijn zus en wijst het beroep van de moeder af.