ECLI:NL:GHAMS:2019:269

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2019
Publicatiedatum
6 februari 2019
Zaaknummer
200.244.733/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Gdw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen beslissing op klacht gerechtsdeurwaarder

Klager diende een klacht in bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder. De voorzitter van de kamer wees deze klacht als kennelijk niet-ontvankelijk af. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar de kamer verklaarde dit verzet ongegrond. Klager ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. Klager stelde dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden, maar onderbouwde dit niet.

Het hof oordeelde dat uit de stukken en de zitting niet bleek dat er sprake was van schending van fundamentele beginselen of andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen. Daarom werd klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing op verzet tegen de klacht over de gerechtsdeurwaarder.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.244.733/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/635420 DW RK 17/919
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 februari 2019
inzake
[naam],
wonend te [plaats],
appellant,
tegen
[naam],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. [naam].

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant (hierna: klager) heeft op 23 augustus 2018 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing op verzet van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 14 augustus 2018.
1.2.
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 september 2017, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk niet-ontvankelijk was afgewezen, ongegrond verklaard.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 oktober 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.
1.4.
Van klager is op 30 oktober 2018 een aanvullende productie ontvangen.
1.5.
De zaak is, waar het betreft de ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2018. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.Ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep

3.1.
Klager heeft bij brief met bijlagen, ingekomen op 22 december 2016, bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, dat bij de kamer is ingekomen op 20 januari 2017. De voorzitter heeft bij beslissing van 5 september 2017 de klacht als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen.
Tegen die beslissing heeft klager bij brief, ingekomen op 8 september 2017, verzet ingesteld bij de kamer. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 3 juli 2018.
Vervolgens heeft de kamer bij de bestreden beslissing het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
3.3.
Klager stelt in zijn beroepschrift dat de kamer bij de totstandkoming van de beslissing een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Ter zitting in hoger beroep heeft klager dit standpunt gehandhaafd. Klager heeft niet onderbouwd, waarin die schending heeft bestaan.
3.4.
De gerechtsdeurwaarder is van mening dat er geen gronden zijn voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.
3.5.
Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting nog door klager is aangevoerd niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, zodat er geen reden is om van het in artikel 39 lid 4 Gdw Pro opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken.
3.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing op verzet van de kamer van 14 augustus 2018.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019 door de rolraadsheer.