ECLI:NL:GHAMS:2019:269
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen beslissing op klacht gerechtsdeurwaarder
Klager diende een klacht in bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder. De voorzitter van de kamer wees deze klacht als kennelijk niet-ontvankelijk af. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar de kamer verklaarde dit verzet ongegrond. Klager ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. Klager stelde dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden, maar onderbouwde dit niet.
Het hof oordeelde dat uit de stukken en de zitting niet bleek dat er sprake was van schending van fundamentele beginselen of andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen. Daarom werd klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing op verzet tegen de klacht over de gerechtsdeurwaarder.