Uitspraak
mr. H. Loonsteinte Amsterdam,
mr. M.A. Hupkeste Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, vorderde in kort geding dat de man, eveneens Brits staatsburger, werd bevolen mee te werken aan een rabbinale echtscheiding (afgifte van een "Get") via het Amsterdamse rabbinale gerecht. De voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd omdat partijen geen relevante band met Nederland hadden en het schadebrengende feit zich niet in Nederland voordeed.
De vrouw ging in hoger beroep en stelde dat de man geen vaste woonplaats heeft en dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is, mede omdat het Amsterdamse rabbinale gerecht zich bevoegd acht. De man stelde dat hij een vast adres in het Verenigd Koninkrijk heeft en dat de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd is.
Het hof oordeelde dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vast adres in het Verenigd Koninkrijk heeft, en dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat dit anders is. Verder is niet gebleken dat het schadebrengende feit, het nalaten mee te werken aan de "Get", zich in Nederland heeft voorgedaan. Daarom is de Nederlandse rechter niet bevoegd en wordt het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.