ECLI:NL:GHAMS:2019:2726
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie en draagkrachtbepaling na wijziging hoofdverblijfplaats
De man en vrouw zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen. Na wijziging van de hoofdverblijfplaats van een kind naar de vrouw, ontstond discussie over de hoogte en ingangsdatum van de kinderalimentatie.
De rechtbank had een bijdrage van €240 per maand per kind vastgesteld vanaf 1 september 2016, maar de man betwistte deze ingangsdatum en het bedrag. Het hof stelde vast dat de man redelijkerwijs pas vanaf 17 februari 2017 rekening hoefde te houden met de onderhoudsbijdrage, omdat het verzoek van de vrouw pas toen formeel werd ingediend.
De draagkracht van beide ouders werd nauwkeurig berekend aan de hand van fiscale gegevens, waarbij het hof oordeelde dat schulden van de man als vermijdbaar werden beschouwd en niet in mindering konden worden gebracht. De bijdrage van de man werd vastgesteld op €169 per maand voor kind B tot diens meerderjarigheid en €214 per maand voor kind A vanaf 17 februari 2017, met een verlaging tot €184 per maand vanaf 1 april 2018 vanwege gestegen draagkracht van de vrouw.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de nieuwe bedragen vast, waarbij terugbetalingen werden uitgesloten omdat de vrouw geen eerdere betalingen had ontvangen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is vastgesteld op €169 per maand voor kind B tot meerderjarigheid en €214 per maand voor kind A vanaf 17 februari 2017, verlaagd naar €184 per maand vanaf 1 april 2018.