ECLI:NL:GHAMS:2019:2782
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens intrekking door verdachte
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 28 juni 2019 uitspraak gedaan over het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter van 9 juli 2018. Tijdens de terechtzitting gaf verdachte aan het hoger beroep niet langer te willen handhaven, waarmee hij zijn bezwaren tegen het vonnis introk.
De advocaat-generaal vorderde daarop dat verdachte niet-ontvankelijk zou worden verklaard in het hoger beroep. Het hof stelde vast dat er geen rechtens te respecteren belang meer was bij voortzetting van het hoger beroep, mede gelet op artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Deze beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit de rechters M. Iedema, N.A. Schimmel en M.J.A. Duker.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking en gebrek aan belang.