ECLI:NL:GHAMS:2019:2868
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over zorgregeling en schriftelijke aanwijzing in belang minderjarige
De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige dochter, die bij de moeder woont. De vader verzocht om opheffing van een schriftelijke aanwijzing die het contact tussen hem en de minderjarige volledig beperkte, en om wijziging van de zorgregeling. De gecertificeerde instelling (GI) had het contact beperkt vanwege zorgen over de veiligheid van de minderjarige, mede naar aanleiding van een melding van vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag en spanningen tussen ouders.
De rechtbank wees het verzoek van de vader tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing af wegens gebrek aan belang, maar het hof oordeelde dat de vader wel degelijk belang heeft bij toetsing van deze maatregel op grond van het recht op family life (art. 8 EVRM Pro). Het hof vernietigde de schriftelijke aanwijzing omdat de minderjarige niet uit huis is geplaatst en de GI zich daarom tot de kinderrechter had moeten wenden.
Ten aanzien van de zorgregeling bevestigde het hof dat de wijziging in het belang van de minderjarige noodzakelijk is vanwege de conflictueuze relatie tussen ouders, de spanningen en angsten van de minderjarige, en het ontbreken van verbetering ondanks diverse hulpverleningstrajecten. De omgang met de vader wordt beperkt tot begeleide omgang onder toezicht van de GI. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank die deze regeling vaststelde en wees het verzoek van de vader tot uitbreiding af.
Het hof benadrukte het belang van medewerking van beide ouders aan hulpverlening en psychodiagnostisch onderzoek van de vader, gezien zijn psychiatrische voorgeschiedenis en het effect op het welzijn van de minderjarige.
Uitkomst: Het hof vernietigt de schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek van de vader daartoe toe, maar bekrachtigt de gewijzigde zorgregeling met begeleide omgang in het belang van de minderjarige.