In hoger beroep is de verdachte vervolgd wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 27 september 2016 te Heerhugowaard. De raadsman voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat de verdachte reeds was verplicht tot deelname aan het alcoholslotprogramma voor hetzelfde feit. Het hof oordeelde dat het feit waarvoor de verdachte werd vervolgd niet hetzelfde was als dat waarvoor het alcoholslotprogramma was opgelegd, waardoor het verweer faalde.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en desondanks een personenauto bestuurde. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, gelijk aan de straf die in eerste aanleg was opgelegd. Het hof nam mee dat de verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij zich niets aantrok van verkeersveiligheidsmaatregelen.
De raadsman stelde dat het alcoholslotprogramma onterecht was opgelegd, maar dit werd niet onderbouwd en het bezwaar was ongegrond verklaard. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd bevestigd en de straf werd opgelegd. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 juli 2019.