De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en verklaarde het bewezen dat de verdachte op 18 september 2016 in Amsterdam met een ongeldig verklaard rijbewijs reed.
Het hof oordeelde dat de strafbaarheid van het feit vaststaat en dat de verdachte strafbaar is. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, maar ook rekening houdend met de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn recente huwelijk en vaste baan in de kinderopvang, achtte het hof een gevangenisstraf niet opportuun.
Daarom legde het hof een taakstraf van 30 uur op, met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen. Het hof motiveerde dit mede met het belang van de verkeersveiligheid en de gunstige persoonlijke ontwikkeling van de verdachte. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 24 juli 2019.