ECLI:NL:GHAMS:2019:3178

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 augustus 2019
Publicatiedatum
31 augustus 2019
Zaaknummer
23-002498-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 3 SvArt. 422 lid 2 SvArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en veroordeling tot zeven maanden gevangenisstraf voor invoer cocaïne

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de politierechter vernietigd omdat het vonnis niet voldeed aan artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In het eerdere vonnis was slechts een opsomming van bewijsmiddelen gegeven, terwijl de verdachte een vrijspraakverweer had gevoerd.

In hoger beroep heeft het hof het bewezen verklaard dat de verdachte op 17 juni 2018 opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd in Nederland via Schiphol. Andere tenlasteleggingen zijn niet bewezen verklaard. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde is bevestigd op grond van artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet.

De politierechter legde een gevangenisstraf van acht maanden op, maar het hof heeft de straf vastgesteld op zeven maanden, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden en het feit dat de verdachte niet eerder voor druggerelateerde delicten was veroordeeld. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002498-18
datum uitspraak: 29 augustus 2019
TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-117283-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
opgegeven adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 17 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het vonnis niet voldoet aan de bepalingen van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering nu in het vonnis is volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl een vrijspraakverweer is gevoerd. Tevens komt het hof tot een andere strafoplegging dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 17 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk invoeren in Nederland van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. De verspreiding van harddrugs zoals de onderhavige en als afgeleide het gebruik ervan bedreigen de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.
Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, te weten een gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 augustus 2019 is zij niet eerder ter zake van druggerelateerde delicten strafrechtelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zeven maanden passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. H.A. van Eijk en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 augustus 2019.
mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest mee te ondertekenen.