De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, [kind A] en [kind B], die bij de vader verblijven. De ondertoezichtstelling was ingesteld vanwege zorgen over de opvoedsituatie en het contact tussen de kinderen en de moeder. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de maatregel, terwijl de vader dit betwistte.
Het hof overweegt dat sinds de start van de ondertoezichtstelling slechts vijf gesprekken met de vader en kinderen hebben plaatsgevonden en dat de GI onvoldoende middelen heeft ingezet om medewerking af te dwingen, ondanks een schriftelijke aanwijzing. De kinderen en vader werkten niet mee aan de hulpverlening, waardoor de doelen van de maatregel niet werden bereikt.
Tegelijkertijd constateert het hof dat het redelijk goed gaat met de kinderen: zij presteren goed op school, hebben sociale contacten en maken gebruik van sociale media. De strafzaak tegen de vader is geseponeerd. De ondertoezichtstelling heeft veel spanning veroorzaakt en het hof acht een verlenging niet in het belang van de kinderen.
Het hof ziet geen meerwaarde in voortzetting van de ondertoezichtstelling, mede omdat de kinderen geen contact met de moeder willen en de maatregel dit contact niet heeft verbeterd. Daarom vernietigt het hof de verlenging en wijst het verzoek van de GI af.