De verdachte werd in eerste aanleg door de kinderrechter veroordeeld voor het opzettelijk voorhanden hebben van ongeveer 8 gram heroïne en 2 gram cocaïne. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam. Tijdens het hoger beroep verwierp het hof het verweer van de verdediging dat de verdachte geen opzet had op het voorhanden hebben van de harddrugs. Het alternatieve scenario van de verdediging werd niet aannemelijk geacht.
Het hof sprak de verdachte vrij van medeplegen wegens onvoldoende bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking. Wel achtte het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 23 september 2017 te Delft opzettelijk de genoemde hoeveelheden heroïne en cocaïne voorhanden had. Er werden geen omstandigheden gevonden die de strafbaarheid uitsloten.
De straf werd bepaald op een taakstraf van 80 uren, bij niet nakoming te vervangen door 40 dagen jeugddetentie. Het hof vond een lagere straf dan in eerste aanleg niet passend vanwege de ernst van het feit, de schadelijke gevolgen van harddrugsgebruik voor de samenleving en de proceshouding van de verdachte, die geen verantwoordelijkheid nam en niet verscheen bij de zitting.
Het vonnis van de kinderrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met de genoemde strafoplegging. De wettelijke grondslag bestond uit artikelen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.