ECLI:NL:GHAMS:2019:3292
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens onzekerheid reikwijdte artikel 197 Sr
In hoger beroep is de zaak behandeld tegen verdachte die werd vervolgd wegens het illegaal verblijf in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het hof heeft kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging.
De advocaat-generaal heeft gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de aanhoudende onzekerheid over de toepassing van artikel 197 Sr Pro, mede doordat prejudiciële vragen hierover aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld en nog niet beantwoord. De verdediging sloot zich hierbij aan.
Het hof overwoog dat het misdrijf van artikel 197 Sr Pro van relatief geringe ernst is en dat sinds het tenlastegelegde feit aanzienlijke tijd is verstreken. Voorts acht het hof voortzetting van de vervolging niet opportuun, mede gelet op het ontbreken van een strafrechtelijk belang. Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigt het het vonnis van de politierechter.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr en het ontbreken van een strafrechtelijk belang.