ECLI:NL:GHAMS:2019:3294
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens onzekerheid reikwijdte artikel 197 Sr
In deze strafzaak is verdachte ten laste gelegd dat hij als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd, in strijd met artikel 197 Sr Pro.
Het hof heeft in hoger beroep kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal die, vanwege de aanhoudende onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro en het uitblijven van een spoedige beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw van verdachte sloot zich hierbij aan.
Het hof overweegt dat de prejudiciële vragen over de toepasselijkheid van artikel 197 Sr Pro nog niet zijn beantwoord en dat de behandeling van soortgelijke zaken is aangehouden. Gezien het geringe belang van het strafbare feit en het aanzienlijke tijdsverloop acht het hof voortzetting van de vervolging niet opportuun.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 11 juni 2019.
Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens aanhoudende onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr.