ECLI:NL:GHAMS:2019:3299
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens onzekerheid reikwijdte artikel 197 Sr
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het onder 1 tenlastegelegde feit en vrijgesproken van andere tenlasteleggingen. Tegen dit vonnis werd beperkt hoger beroep ingesteld, uitsluitend tegen de veroordeling voor het feit onder 1, namelijk het illegaal verblijf als vreemdeling terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij ongewenst was verklaard of een inreisverbod had.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Dit vanwege de aanhoudende onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro, waarvoor prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarvan de beantwoording nog niet is ontvangen. Ook het aanzienlijke tijdsverloop sinds het tenlastegelegde en het geringe belang van strafvervolging voor dit relatief lichte misdrijf speelden mee.
Het hof overwoog dat voortzetting van de strafvervolging niet opportuun is en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de zaak werd afgedaan met deze niet-ontvankelijkverklaring. De overige standpunten van de verdediging liet het hof onbesproken.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Sr.