Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
Locatie: [adres]
[appellant], niet aanwezig is en ook niet in de woning verblijft. [appellant] zou al zo’n twee a drie jaar niet meer in de woning wonen en hij verhuurt deze aan andere mensen.
in zijn geheelmocht onderverhuren of aan derden in gebruik mocht geven. Partijen zijn het er tevens over eens dat [appellant] ingevolge deze bepaling de woning wel (deels) mocht onderverhuren of aan derden in gebruik mocht geven indien (ook) hijzelf daar hoofdverblijf hield. Omdat vaststaat dat [appellant] aan Ymere geen toestemming heeft gevraagd de woning in zijn geheel onder te verhuren of aan derden in gebruik te geven, tevens vaststaat dat zich in de woning onderhuurders bevonden en Ymere stelt dat [appellant] daar zelf geen hoofdverblijf hield, is daarom cruciaal of dit laatste het geval was.
tijdelijkniet in de woning verbleef wegens een verblijf in Nigeria van enkele maanden in verband met het overlijden van zijn vader. Het hof kan [appellant] hierin niet volgen, reeds omdat geen van de drie overige aanwezigen bij het gesprek met [D] te kennen heeft gegeven dat de uitlatingen van [D] moeilijk te volgen, en dus voor tweeërlei uitleg vatbaar, waren. De schriftelijke verklaring van [D] zelf alsmede (zelfs) de schriftelijke verklaring van [appellant] zelf van 7 december 2018 (“(…) zijn nederlands taal is nog niet denderend.”) wekken evenmin de indruk dat zijn beheersing van de Nederlandse taal zo gebrekkig was dat hij dergelijke, zeer ingrijpende vergissingen zou kunnen maken. Daar komt nog bij dat [appellant] volstrekt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij enkele maanden in Nigeria heeft verbleven in verband met het overlijden van zijn vader en daarom tijdelijk geen hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Het enkele overzicht van vluchten van Amsterdam (via Parijs) naar Lagos en vice versa, is daartoe ontoereikend, reeds omdat niet blijkt (uit bijvoorbeeld uitgeprinte tickets en/of betalingsbewijzen van deze vluchten) dat deze vluchten ook daadwerkelijk zijn geboekt. Ook heeft [appellant] geen enkel bewijs overgelegd betreffende het overlijden van zijn vader. Uit het voorgaande volgt dat ook het hof van oordeel is dat de (onder 3.1 sub (iv) geciteerde) verklaring van [A] en [B] en die van [C] alsmede de overgelegde woningkaart voldoende aanwijzingen bevatten om voorshands voldoende aannemelijk te achten dat [appellant] geen hoofdverblijf (meer) in de woning had.
naasteburen van [appellant] een dergelijke verklaring niet hebben afgegeven.