Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
KANTOOR HOOFDDORP,
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
aan een ander dan de schuldenaartoebehoort. Een dergelijk beslag kan worden gelegd ten laste van de ander (lid 2) of ten laste van de schuldenaar (lid 3). In het onderhavige geval – waarin, naar tussen partijen vaststaat, [B] als schuldenaar moet worden aangemerkt – wordt door [appellant] een beroep gedaan op toepasselijkheid van het derde lid van dit artikel. Artikel 435 lid 3 Rv Pro heeft echter betrekking op het geval waarin weliswaar een executoriale titel tegen uitsluitend de schuldenaar bestaat, maar niettemin verhaal
magworden uitgeoefend op een goed van een derde, dus waarin sprake is van bijvoorbeeld een derdenpand of een derdenhypotheek (zie artikel 3:231 lid 1 BW Pro), een retentierecht op de zaak van een derde (zie artikel 3:291 BW Pro) of het bodemrecht van de fiscus (artikel 22 Iw Pro). Zowel [appellant] als de Ontvanger stelt zich op het standpunt dat als [appellant] (voorshands aannemelijk maakt dat hij) eigenaar is van de drie auto’s, daarop geen verhaal mag worden uitgeoefend voor een schuld die [B] aan de Ontvanger heeft. Een wettelijke bepaling en/of rechtspraak van met name de Hoge Raad waaruit dit voortvloeit, valt evenmin aan te wijzen. Een en ander brengt mee dat artikel 435 lid 3 Rv Pro in het onderhavige geval in het geheel niet van toepassing is en dus ook de gevolgen die [appellant] verbonden wil zien aan het verzet dat hij met een beroep op die bepaling heeft gedaan tegen verhaal op de drie auto’s – te weten dat de beslagen jegens hem slechts als conservatoir hebben te gelden en jegens hem slechts kan worden geëxecuteerd als de Ontvanger tegen hem een executoriale titel heeft verkregen om deze executie te dulden – niet zijn ingetreden.
grief Iin beide onderdelen af.
grief IIevenmin slaagt.