ECLI:NL:GHAMS:2019:370

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 januari 2019
Publicatiedatum
13 februari 2019
Zaaknummer
200.229.869/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens incompleet beroepschrift in bewindstelling

De zaak betreft een hoger beroep van een beschikking van de kantonrechter waarin de goederen van appellant onder bewind zijn gesteld vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand en problematische schulden. Appellant is op 11 december 2017 in hoger beroep gekomen.

Het hof heeft bij brief van 21 december 2017 en 26 januari 2018 de advocaat van appellant verzocht om ontbrekende stukken aan te leveren, omdat het beroepschrift incompleet was en het procesdossier uit de eerste aanleg ontbrak. Op deze verzoeken is geen reactie gekomen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 25 januari 2019 verklaarde de advocaat dat de brieven per abuis over het hoofd waren gezien en verzocht alsnog de stukken te mogen overleggen. Het hof oordeelde dat voldoende gelegenheid was geboden om het verzuim te herstellen en dat geen bijzondere omstandigheden waren die overschrijding van termijnen rechtvaardigden.

Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, waarmee het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en de beschikking van de kantonrechter in stand bleef.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het niet tijdig aanleveren van ontbrekende stukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.229.869/01
Zaaknummer rechtbank: 6255986 EB VERZ 17-17593
Beschikking van de meervoudige kamer van 25 januari 2019 inzake
[de betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [de betrokkene] ,
advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 18 oktober 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[de betrokkene] is op 11 december 2017 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 18 oktober 2017. Bij deze beschikking heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, op verzoek van [de maatschappelijk werkster] , als maatschappelijk werkster verbonden aan Mentrum/Kliniek Reigersbos, de goederen die (zullen) toebehoren aan [de betrokkene] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand en verkwisting/het hebben van problematische schulden.
2.2
Bij brief van 21 december 2017 heeft het hof mr. Vos op de hoogte gesteld dat het ingediende beroepschrift niet compleet was. Mr. Vos is in de gelegenheid gesteld om dit
verzuim uiterlijk op 4 januari 2018 te herstellen. Van de zijde van mr. Vos is op deze brief geen reactie ingekomen.
2.3
Bij brief van 26 januari 2018 heeft het hof mr. Vos nogmaals verzocht de ontbrekende stukken toe te zenden, uiterlijk op 9 februari 2018. Op deze brief is eveneens geen reactie ingekomen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 25 januari 2019 plaatsgevonden. Verschenen is:
- mr. W.P.A. Vos, namens [de betrokkene] .
2.5
Het hof heeft ter zitting van 25 januari 2019 mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
De vraag dient te worden beantwoord of [de betrokkene] ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen bovengenoemde beschikking van 18 oktober 2017.
3.2
Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Vos verklaard dat zij de brieven van het hof van
21 december 2017 en 26 januari 2018, waarin het hof haar heeft verzocht de ontbrekende stukken over te leggen, per abuis over het hoofd heeft gezien. Mr. Vos heeft het hof ter zitting in hoger beroep verzocht de ontbrekende stukken alsnog ter zitting te mogen overleggen.
3.3
Het hof overweegt als volgt. [de betrokkene] is op 11 december 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter van 18 oktober 2017. Omdat de stukken bij het beroepschrift niet compleet waren (het procesdossier uit de eerste aanleg ontbrak), kon de zaak niet verder in behandeling worden genomen. De griffier van het hof heeft mr. Vos bij brief van 21 december 2017 en daarna, nadat op die brief geen reactie was ingekomen, nogmaals bij brief van 26 januari 2018 in de gelegenheid gesteld genoemd verzuim te herstellen. Ook op deze brief is door mr. Vos niet gereageerd.
Het hof is van oordeel dat mr. Vos voldoende gelegenheid is geboden om het hof de aan het beroepschrift ontbrekende stukken te doen toekomen. Mr. Vos heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de gestelde termijnen zouden kunnen rechtvaardigen is niet gebleken. Het hof zal [de betrokkene] derhalve
niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
3.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart [de betrokkene] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A. van Haeringen en
mr. R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en is op
25 januari 2019 mondeling in verkorte vorm en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Deze schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 12 februari 2019 door bovengenoemde raadsheren en ondertekend door de voorzitter.