ECLI:NL:GHAMS:2019:3843
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen voortzetting huurovereenkomst wegens ontbreken gemeenschappelijke huishouding
In deze civiele zaak vordert appellante voortzetting van een huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, stellende dat zij sinds 2013 haar hoofdverblijf had in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met haar overleden moeder. De kantonrechter wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs van de gemeenschappelijke huishouding en stelde appellante in de proceskosten.
In hoger beroep handhaaft het hof dit oordeel. Het hof benadrukt dat voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zowel objectieve als subjectieve factoren van belang zijn, en dat een verzwaarde stelplicht geldt voor degene die zich op voortzetting beroept. Appellante heeft onvoldoende concrete informatie verstrekt over de wijze van huishouding, financiële verdeling en gezamenlijke taken, en kon niet aantonen dat zij aan haar verzwaarde stelplicht voldeed.
De door appellante overgelegde getuigenverklaringen boden geen concrete aanwijzingen voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Ook het niet kunnen openen van een bankrekening wegens haar nationaliteit doet niet af aan de stelplicht. Het hof concludeert dat het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding niet is komen vast te staan, waardoor de vordering niet toewijsbaar is.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan de verzwaarde stelplicht omtrent een duurzame gemeenschappelijke huishouding.