ECLI:NL:GHAMS:2019:3858

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
23-003190-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens bezit van MDMA leidt tot geldboete en hechtenis

Op 24 mei 2018 werd verdachte in Amsterdam betrapt op het bezit van 2 tabletten en 3,99 gram MDMA, een middel als bedoeld in de Opiumwet. De politierechter veroordeelde verdachte in eerste aanleg tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de politierechter vernietigd vanwege een andere bewezenverklaring en strafoplegging. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bezit van de genoemde hoeveelheid MDMA op zich nam, maar sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. Er werd geen strafuitsluitingsgrond gevonden, zodat het handelen strafbaar was.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid aangetroffen drugs en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gezien de aard van MDMA als harddrug en het gevaar voor de volksgezondheid achtte het hof een geldboete passend. Tevens werd rekening gehouden met eerdere strafopleggingen conform artikel 63 Sr Pro. De opgelegde straf bestaat uit een geldboete van €750, te vervangen door 15 dagen hechtenis bij niet-betaling.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 oktober 2019. De tijd die verdachte in voorarrest doorbracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde geldboete volgens de maatstaf van €50 per dag.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €750, te vervangen door 15 dagen hechtenis bij niet-betaling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003190-18
datum uitspraak: 28 oktober 2019
VERSTEK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-101805-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag] 1981,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2 pillen/tabletten en/of ongeveer 3,99 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring en strafoplegging dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 mei 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2 tabletten en 3,99 gram van een materiaal bevattende MDMA.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte alsmede zijn draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid MDMA. Harddrugs zoals MDMA vormen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan is bezwarend voor de samenleving.
Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid drugs die bij de verdachte is aangetroffen en rekening houdend met hetgeen bekend is over zijn persoonlijke situatie, acht het hof, met de advocaat-generaal, het opleggen van een geldboete passend.
Daarbij heeft het hof – in verband met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht – rekening gehouden met de straf opgelegd in de zaak met parketnummer 23-004370-18.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. H.A. van Eijk en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2019.
Mr. H.A. van Eijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]