In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens het opzettelijk onttrekken van een bedrijfswagen aan conservatoir beslag dat door een rechterlijke beschikking was gelegd. De tenlastelegging betrof het handelen op of omstreeks 30 juni 2015 te Aalsmeer. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd omdat het tot een andere strafoplegging en civiele beslissing kwam.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bedrijfswagen, waarop conservatoir beslag rustte, aan dat beslag heeft onttrokken. De verdachte werd strafbaar geacht omdat geen omstandigheden waren die de strafbaarheid uitsloten. De politierechter had een geheel voorwaardelijke taakstraf opgelegd, maar het hof vond dit onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit.
Het hof legde een deels voorwaardelijke taakstraf op van 60 uur, waarvan een deel niet ten uitvoer zal worden gelegd, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd de civiele vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard omdat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. De benadeelde partij werd verwezen naar de burgerlijke rechter.
De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 november 2019. De advocaat-generaal had dezelfde straf als de politierechter gevorderd, maar het hof ging daar niet in mee vanwege de ernst van het feit en het gebrek aan respect voor het openbaar gezag door verdachte.