ECLI:NL:GHAMS:2019:4112
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen noodzaak voor automatisch herleven voorlopige hechtenis na afloop rechterlijke machtiging
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van de officier van justitie behandeld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst. Het hof heeft kennisgenomen van de stukken en gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte.
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en neemt tevens ernstige bezwaren aan tegen het subsidiaire feit van poging tot zware mishandeling. Desondanks ziet het hof geen noodzaak om te bepalen dat de voorlopige hechtenis automatisch zal herleven zodra de civielrechtelijke titel voor gedwongen opname vervalt.
Het hof baseert dit op de veronderstelling dat indien geen civielrechtelijke titel mogelijk is, het geestelijk welzijn van de verdachte voldoende is. Het hof vertrouwt erop dat de verdachte zich zal onthouden van strafbare feiten indien hij adequaat behandeld wordt en zijn medicatie trouw inneemt. Daarom volstaat het toezicht door de reclassering zoals dat momenteel plaatsvindt.
De beslissing van het hof is om het hoger beroep af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bevestigen.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de schorsing van de voorlopige hechtenis zonder automatische herleving.