In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het voorkeursrecht van appellant op de verkoop van een onroerend goed was geschonden door Canal View c.s. Appellant stelde dat het voorkeursrecht ook gold bij de verkoop van aandelen in de vennootschap die het pand hield, en dat Canal View c.s. onrechtmatig hadden gehandeld door deze verkoop mogelijk te maken.
Het hof oordeelde dat het voorkeursrecht uitsluitend betrekking had op het onroerend goed zelf en niet op de aandelen in de vennootschap. Er waren geen afdwingbare verplichtingen jegens appellant door de aandeelhouder Dimetrina. Ook was er geen sprake van schending van het voorkeursrecht door Canal View c.s. Verder werd geoordeeld dat de koopovereenkomst tussen appellant en Canal View c.s. rechtsgeldig tot stand was gekomen, mede omdat de advocaat van appellant een volmacht had om namens hem te handelen.
Appellant had zijn nakomingsverplichtingen opgeschort in de veronderstelling dat zijn voorkeursrecht was geschonden, maar dit was onterecht. Het hof wees ook het verzoek tot matiging van de boete af, omdat de boete van 10% van de koopsom gebruikelijk en maatschappelijk aanvaard is en appellant bewust het risico had genomen de boete te verbeuren. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.