ECLI:NL:GHAMS:2019:4128
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling krediet en wettelijke rente na opzegging kredietovereenkomst door bank
In deze zaak stond een kredietovereenkomst tussen Finata Bank N.V. en een consument centraal. De bank had de kredietovereenkomst opgezegd en eiste betaling van het uitstaande krediet vermeerderd met een kredietvergoeding. De kantonrechter wees de hoofdsom toe met wettelijke rente vanaf de dagvaarding, maar wees het meer gevorderde af.
Het hof toetste ambtshalve het beding aan Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en oordeelde dat er geen grond was voor toewijzing van contractuele rente in plaats van wettelijke rente, omdat de bank dat niet had bedongen. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf 6 december 2000, met een maximum van €12.500,00, verminderd met gedane aflossingen.
Verder stelde het hof vast dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te laag was vastgesteld en verhoogde deze. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en de veroordelingen werden opnieuw vastgesteld. De geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met wettelijke rente en in de kosten van het geding in beide instanties.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met wettelijke rente en in de proceskosten, terwijl de vordering tot contractuele rente wordt afgewezen.