De zaak betreft een hoger beroep van ABN Amro tegen een beschikking van de kantonrechter die het ontslag op staande voet van een medewerker vernietigde. De medewerker werd ontslagen vanwege het oneigenlijk gebruik van een beleggingsrekening die hij beheerde voor zijn voetbalteam, maar dit handelen werd als een privékwestie beoordeeld die niet in verband stond met zijn werkzaamheden voor de bank.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onterecht was, mede vanwege het lange dienstverband, de leeftijd van de medewerker en het ontbreken van schade voor de bank. ABN Amro stelde in hoger beroep diverse nieuwe verzoeken, waaronder vernietiging van de beëindigingsovereenkomst en loonvorderingen, waarvan het hof een aantal niet-ontvankelijk verklaarde omdat deze niet in eerste aanleg waren ingebracht.
Het hof bevestigde dat het ontslag op staande voet geen dringende reden opleverde en dat de arbeidsovereenkomst tot de overeengekomen einddatum bleef bestaan. De bank werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hiermee werd de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het hoger beroep van ABN Amro afgewezen.