Op 21 juli 2017 ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en de benadeelde, waarna de benadeelde met een hondenriem de verdachte aanviel en de riem met kracht op zijn keel drukte. De verdachte lag op de grond en kon zich niet losmaken. Hij reageerde door in de benadeelde te knijpen of te bijten.
De politierechter sprak de verdachte vrij voor een deel van de tenlastelegging, maar het hof vernietigde dit vonnis voor het mishandelingsfeit en kwam tot een ander oordeel. Het hof oordeelde dat het handelen van de benadeelde een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte vormde, waardoor een beroep op noodweer gerechtvaardigd was.
Het hof stelde vast dat het handelen van de verdachte proportioneel en subsidiar was en dat het eerdere schelden niet aan het slagen van het noodweerberoep in de weg stond. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het mishandelingsfeit. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte niet schuldig was bevonden.
De kosten werden ieder voor eigen rekening bepaald. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 november 2019.