In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam van 5 maart 2018, betreffende overtredingen van een gebiedsverbod en diefstal van een boterkoek. De verdachte, zonder bekende woon- of verblijfplaats, was in eerste aanleg veroordeeld.
Tijdens de terechtzitting op 15 november 2019 heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging. De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van één maand voor de ten laste gelegde feiten.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, met als enige wijziging de aanpassing van de aanhef van de bewijsmiddelen, waaronder het verwijderingsbevel, proces-verbaal van uitreiking en het verhoor van de verdachte met bekennende verklaring. De voorzitter en jongste raadsheer konden het arrest niet medeondertekenen.