ECLI:NL:GHAMS:2019:4282

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 november 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
001268-19 (rekestnummer) en 23-003980-17 (parketnummer)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 577b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens ernstige ziekte verzoeker

Verzoeker is bij arrest van 18 april 2019 veroordeeld tot betaling van €156.519 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 577b, tweede lid, Sv tot kwijtschelding of matiging van het resterende bedrag van €144.948,36.

De verzoeker lijdt aan ernstige kanker aan diverse organen en is fysiek zeer beperkt, waardoor zij niet in staat is de volledige betalingsverplichting te voldoen. Haar financiële situatie is schrijnend met een bijstandsuitkering en schulden van ruim €217.000. Het CJIB heeft een afbetalingsvoorstel van €100 per maand ontvangen.

Het hof oordeelt dat verzoeker onvoldoende draagkracht heeft om het volledige bedrag te voldoen, maar dat volledige kwijtschelding niet aannemelijk is. Daarom wordt het resterende bedrag gematigd tot €20.000 en wordt aangesloten bij de afbetalingsregeling van €100 per maand.

Deze beslissing houdt rekening met de medische situatie, financiële positie en de wettelijke mogelijkheden tot vermindering van ontnemingsmaatregelen.

Uitkomst: De betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot €20.000 met een afbetalingsregeling van €100 per maand.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: 001268-19
Parketnummer: 23-003980-17
Datum uitspraak: 29 november 2019
Beschikking gegeven op het verzoekschrift van 9 oktober 2019, op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door de verzoeker:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 1958,
wonende te [adres] .

Procesgang

Aan de verzoeker is bij arrest van dit hof van 18 april 2019 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 156.519,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de verzoeker is bij een op 11 oktober 2019 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verzocht om het resterende ingevolge de ontnemingsmaatregel te betalen bedrag van € 144.948,36 kwijt te schelden dan wel te matigen.
Het hof heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 15 november 2019, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de verzoeker, bijgestaan door mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem.

Beoordeling van het verzoek

Tijdens het onderzoek in raadkamer is door de advocaat-generaal een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van 1 november 2019 overgelegd en uit die brief blijkt dat van de ontnemingsmaatregel nog een bedrag van € 144.948,36 resteert. Ook blijkt uit die brief dat het CJIB op 2 oktober 2019 een schikkingsvoorstel van de bewindvoerder van de verzoeker heeft ontvangen. Het voorstel houdt in dat de verzoeker € 100,- per maand op het openstaande bedrag zal aflossen Het CJIB heeft besloten de (onderhavige) beschikking van het hof af te wachten, alvorens een betalingsregeling met de verzoeker overeen te komen.
De raadsman heeft volledige kwijtschelding van de opgelegde betalingsverplichting verzocht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van evidente betalingsonmacht bij de verzoeker. De verzoeker staat onder intensieve controle wegens een ernstige ziekte, namelijk kanker aan diverse organen en ledenmaten. Sommige organen zijn verwijderd ter voorkoming van uitzaaiing. De verzoeker is nauwelijks in staat zich te verplaatsen en zij is daarom hulpbehoevend ten aanzien van haar fysieke gesteldheid. Volgens de raadsman stellen medici zich op het standpunt dat de fysieke situatie van de verzoeker buitengewoon slecht is en het perspectief zeer somber. De verzoeker heeft de huurpenningen, die zij ontving, gebruikt om de hypotheek te betalen. De raadsman stelt dat de verzoeker volgens de bewindvoerder geen vermogen meer heeft. Zij heeft een bijstandsuitkering en deze situatie zal, gelet op haar opleiding en verslechterende ziekteverloop, niet veranderen. Zij houdt € 50,00 per maand over om van te leven. Als zij € 100,00 per maand moet betalen, houdt zij € 25,00 per week over.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het CJIB met de verzoeker een afbetalingsregeling treft van € 100,00 per maand.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat artikel 577b, tweede lid, Sv de rechter de mogelijkheid biedt tot kwijtschelding of vermindering van het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde (in dit geval: resterende) bedrag. Bij de beoordeling van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding heeft te gelden dat de verzoeker aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk dient te maken dat hij of zij niet (meer) in staat is de aan hem of haar opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen en ook in de toekomst daaraan niet zal kunnen voldoen.
Het hof heeft bij de beoordeling van onderhavig verzoekschrift acht geslagen op de door de verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de gezondheidssituatie (en de daarmee samenhangende korte levensverwachting) en de onderbewindstelling van de verzoeker. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de verzoeker onder behandeling is vanwege schildklierkanker, in 2015 bij haar borstkanker is geconstateerd en in de follow up daarvan nierkanker is geconstateerd (brief van internist [naam 1] van 12 april 2017). Wat de financiële positie van de verzoeker betreft, heeft de raadsman een overzicht van de schulden van de verzoeker overlegd, welke schulden oplopen tot (in totaal) ruim € 217.000,00 euro. De civiel bewindvoerder [naam 2] noemt de situatie van de verzoeker “schrijnend, zeker in combinatie met de medische problematiek” (brief van [naam 2] van 7 oktober 2019).
Het hof acht aannemelijk dat de draagkracht van de verzoeker onvoldoende is en ook in de toekomst onvoldoende zal zijn om aan de opgelegde betalingsverplichting volledig te voldoen. Het hof acht het evenwel niet aannemelijk dat de verzoeker in het geheel niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. Op basis van het voorgaande acht het hof geen termen aanwezig om de betalingsverplichting van de verzoeker in zijn geheel kwijt te schelden, maar zal het hof het resterende door de verzoeker te betalen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar redelijkheid en billijkheid matigen.
Het verzoek zal daarom worden toegewezen in dier voege dat het thans nog resterende bedrag van de betalingsverplichting op grond van de ontnemingsmaatregel zal worden verminderd tot een bedrag van € 20.000,00. Tevens zoekt het hof aansluiting bij een afbetalingsregeling met het CJIB van € 100,00 per maand.

BESLISSING

Het hof:
Wijst toe het verzoek en vermindert de bij arrest van dit hof van 18 april 2019 aan verzoeker opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de resterende betalingsverplichting wordt gesteld op € 20.000 (twintigduizend).
Aldus gegeven door: mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. E. van Die en mr. A. Dantuma-Hieronymus, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, door de oudste raadsheer en griffier ondertekend en op 29 november 2019 ter openbare zitting uitgesproken.
[…]