ECLI:NL:GHAMS:2019:4351

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 november 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
23-001850-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 63 SrArt. 181 SrArt. 27 SvArt. 52 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wederspannigheid met lichamelijk letsel; geen onrechtmatige staandehouding

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van wederspannigheid met geweld tegen meerdere politieambtenaren, waarbij lichamelijk letsel werd toegebracht aan een van hen. De feiten speelden zich af op 18 april 2019 in Amsterdam.

De verdediging voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond bij het vragen om identiteitsgegevens. Het hof oordeelde echter dat de politie in het kader van de handhaving van de openbare orde rechtmatig handelde, omdat verdachte anderen lastigviel en de politie daarom mocht vragen om identificatie zonder dat een redelijk vermoeden van schuld vereist was.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met geweld verzette tegen politieambtenaren door zich op de grond te laten vallen, te spugen en trappende bewegingen te maken, wat leidde tot schrammen bij een agent. Hoewel het feit ernstig werd bevonden wegens het geweld en het aantasten van het gezag, legde het hof geen straf op omdat verdachte reeds een maatregel voor stelselmatige daders opgelegd had gekregen voor soortgelijke feiten die eerder waren gepleegd.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte schuldig te verklaren aan wederspannigheid met lichamelijk letsel, maar geen straf of maatregel op te leggen.

Uitkomst: Verdachte schuldig aan wederspannigheid met lichamelijk letsel, maar geen straf opgelegd vanwege reeds opgelegde maatregel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001850-19
datum uitspraak: 27 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-095660-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1970,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4], hoofdagent(en) van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten met noodhulp surveillance belast en/of met toezicht in het centrum van Amsterdam belast, bestond
door
op de grond te gaan zitten en/of zich zwaar te maken en/of te weigeren mee te lopen naar de politiebus en/of
meermalen, althans eenmaal, te spugen naar en/of in de richting van voornoemd(e) verbalisant(en) en/of met zijn be(e)n(en) een of meer trappende en/of schoppende beweging(en) te maken naar en/of in de richting van voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 5] en/of zich op de grond te laten vallen ,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een of meer schram(men) op de rechterarm van/bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking ter zitting gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft ter zitting vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit omdat op het moment dat de verdachte staande werd gehouden op grond van artikel 52 Sv Pro en om zijn gegevens is gevraagd er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld zoals is vereist in artikel 27 Sv Pro. De verbalisanten hebben daarmee niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening gehandeld.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatige staandehouding. Onder de omstandigheid dat de verdachte meerdere mensen aansprak, onder wie een meisje dat langs de gracht zat en dat na het contact met de verdachte wegliep, mochten de politieambtenaren in het kader van een redelijke uitoefening van hun politietaak, meer in het bijzonder in het kader van de handhaving van de openbare orde zoals neergelegd in artikel 8 van Pro de Politiewet, de verdachte – die kennelijk de indruk wekte anderen lastig te vallen – naar een identiteitsbewijs vragen. In een dergelijke situatie is geen sprake van toepassing van het dwangmiddel als bedoeld in artikel 52 van Pro het Wetboek van Strafvordering en is een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 dus Pro niet vereist.
Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 april 2019 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 5], (hoofd)agenten van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten met noodhulp surveillance belast en/of met toezicht in het centrum van Amsterdam belast, welk verzet bestond uit
het op de grond gaan zitten en het zich zwaar maken en het weigeren mee te lopen naar de politiebus en het meermalen spugen in de richting van voornoemde verbalisanten en
het met zijn benen trappende bewegingen maken in de richting van voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 3] en [verbalisant 5]
en het zich op de grond laten vallen,
terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten schrammen op de rechterarm van die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorlopige hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich verzet tegen zijn aanhouding door politieambtenaren en heeft daarbij geweld gebruikt, ten gevolge waarvan verbalisant [verbalisant 1] schrammen op de rechterarm heeft opgelopen. Dit is een ernstig feit omdat het niet alleen het werk van de politie bemoeilijkt, maar ook de desbetreffende ambtenaar in zijn gezag aantast. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens politieambtenaren in functie van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met het volgende.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aan de verdachte bij het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2019 de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren is opgelegd wegens een aantal soortgelijke feiten als het onderhavige. Het onderhavige feit is gepleegd voordat deze maatregel werd opgelegd. Het is niet aannemelijk dat, ware het thans aan de orde zijnde feit tegelijk met die feiten berecht, in het vonnis van 4 juli 2019 naast de isd-maatregel nog een aanvullende straf zou zijn opgelegd.
Daarom acht het hof het raadzaam in deze zaak te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 63 en 181 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2019.
Mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]