ECLI:NL:GHAMS:2019:4363
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ontslag bewindvoerder en mentor bij verstandelijke beperking
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter waarin het verzoek van de moeder tot ontslag van de bewindvoerder en mentor van haar dochter met een verstandelijke beperking werd afgewezen.
De dochter is sinds 2017 onder bewind en mentorschap geplaatst vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand. De moeder en dochter stelden dat de bewindvoerder haar taken niet naar behoren vervult, vertrouwelijke informatie deelt en onvoldoende bijdraagt aan de zelfstandigheid en ontwikkeling van de dochter. Zij verzochten tevens benoeming van de oom of een professionele instelling als opvolger.
De bewindvoerder betwistte deze beschuldigingen en benadrukte de samenwerking met begeleiders en de instelling. Het hof stelde vast dat er geen bewijs was voor ontoereikende taakvervulling en dat de benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder in het verleden bewust was gekozen vanwege verstoorde familieverhoudingen.
Het hof oordeelde dat de vertrouwensbreuk onvoldoende gewichtige reden vormt voor ontslag en dat het belang van toezicht op de financiële belangen van de dochter prevaleert. De beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd en het verzoek tot benoeming van een andere bewindvoerder werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en mentor af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.