ECLI:NL:GHAMS:2019:4371
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing omgangsregeling met onwillige vader in belang minderjarige
De zaak betreft een geschil over het vaststellen van een omgangsregeling tussen een minderjarige en haar vader, waarbij de moeder het verzoek indient en de vader dit afwijst. De minderjarige is onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling sinds 2017. De vader erkende het kind, maar heeft sinds april 2018 geen contact meer met haar en weigert omgang.
De rechtbank wees eerder het verzoek af en dit hof bevestigt die beslissing. Het hof benadrukt dat hoewel het kind recht heeft op omgang met haar vader en de vader een plicht heeft tot omgang, het opleggen van een omgangsregeling aan een onwillige vader niet in het belang is van de jonge minderjarige. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zien geen contra-indicaties voor omgang, maar erkennen dat het contact onmogelijk is zolang de vader weigert.
Het hof overweegt dat het confronteren van het kind met een onwillige vader schadelijk kan zijn voor haar geestelijke ontwikkeling en zelfbeeld. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.