ECLI:NL:GHAMS:2019:4480
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-tijdige inschrijving bij verdeling woning na echtscheiding
Partijen zijn in 1997 gehuwd en in 2016 gescheiden. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd en bezaten gezamenlijk een woning. De rechtbank had de verkoop en verdeling van de woning gelast, waarbij de man werd verplicht mee te werken aan de verkoop en overdracht. Indien de man niet meewerkt, treedt het vonnis in de plaats van de leveringsakte.
De man kwam in hoger beroep tegen deze beslissing, maar heeft het hoger beroep niet binnen de vereiste termijn van acht dagen ingeschreven in het register, zoals vereist op grond van artikel 3:301 lid 2 BW Pro jo. artikel 433 Rv Pro. De vrouw stelde daarom dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het hof oordeelt dat het vonnis van de rechtbank moet worden uitgelegd als een uitspraak die in de plaats treedt van een leveringsakte, waardoor de inschrijving in het register vereist is. Door het niet tijdig inschrijven is de man niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep zich richt tegen de beslissingen die in de plaats treden van de leveringsakte.
Het hof verklaart de man daarom niet-ontvankelijk voor die onderdelen, bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige en veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep. De belangenafweging van de rechtbank, waarbij het belang van de vrouw bij verdeling prevaleert, wordt door het hof onderschreven.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet-tijdige inschrijving en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.