ECLI:NL:GHAMS:2019:458
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject en onvolledige gegevens
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam dat zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afwees. Hij voerde aan dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden en dat het standpunt van de Belastingdienst onjuist was. Ook stelde appellant dat hij geen mogelijkheid had gehad om adequaat te reageren op het standpunt van de Belastingdienst.
Het hof oordeelde dat appellant in hoger beroep alsnog de gelegenheid had gekregen om op het standpunt van de Belastingdienst te reageren, zodat aan het beginsel van hoor en wederhoor was voldaan. Het hof constateerde dat appellant geen minnelijk traject had doorlopen zoals vereist volgens artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro en dat er geen met redenen omklede verklaring was overlegd dat buitengerechtelijke schuldregeling niet mogelijk was.
Daarnaast ontbraken essentiële stukken zoals een staat van baten en schulden, een gespecificeerde opgave van inkomsten en lasten van appellant en zijn echtgenote, terwijl dit wettelijk verplicht is. Ook bleek appellant niet over eigen inkomen te beschikken en verrichtte hij geen inspanningen om inkomsten te verwerven. Gelet op deze tekortkomingen verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een minnelijk traject en onvolledige financiële gegevens.