ECLI:NL:GHAMS:2019:4785

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 september 2019
Publicatiedatum
28 januari 2020
Zaaknummer
23-002620-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij andere strafbare feiten

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter dat de veroordeelde verplichtte tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepteelt. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten op een locatie in Aalsmeer.

In hoger beroep stelde het openbaar ministerie dat de ontnemingsvordering gebaseerd was op andere strafbare feiten dan die waarvoor de veroordeelde was veroordeeld, conform artikel 36e Sr. Het hof onderzocht het dossier en constateerde dat het OM onvoldoende had onderbouwd dat de veroordeelde daadwerkelijk betrokken was bij deze andere feiten en dat hij daaruit voordeel had verkregen.

De verdediging voerde aan dat de veroordeelde niet had geprofiteerd van de hennepplanten waarvoor hij was veroordeeld en dat zijn betrokkenheid bij de hennepteelt onvoldoende was aangetoond. Het hof stelde vast dat de vordering niet gebaseerd was op het strafbare feit van 25 februari 2015, maar op andere feiten die onvoldoende waren bewezen.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en wees de ontnemingsvordering af wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijke betrokkenheid en voordeel. Hiermee kwam het hof tot een andere beslissing dan de politierechter.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij andere strafbare feiten.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002620-18 (ontneming)
datum uitspraak: 4 september 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-125766-16 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 2.987,63. Ter terechtzitting van 19 juli 2018 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot schatting van de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 2.258,50, zijnde het behaalde voordeel van de hennepteelt op de [straat] in Aalsmeer, te weten € 6.775,50, evenredig over de vier veroordeelden verdeeld.
De veroordeelde is in de stafzaak bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van het op 25 februari 2015 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten in een pand aan de [straat] en in een auto telkens in Aalsmeer.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 19 juli 2018 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.258,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de veroordeelde is hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 2.258,50 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft begaan, waaruit de veroordeelde voordeel heeft verkregen. Uit het dossier blijkt immers dat de veroordeelde over een langere periode betrokken is geweest bij de teelt van hennep op de [straat] te Aalsmeer.
De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat de veroordeelde is veroordeeld vanwege het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten op 25 februari 2015 en dat onvoldoende is gebleken dat de veroordeelde heeft geprofiteerd van baten van deze aangetroffen hennepplanten. Daarnaast stelt de verdediging zich, wat betreft het (nieuwe) standpunt van de advocaat-generaal dat de vordering is gebaseerd op
anderestrafbare feiten, op het standpunt dat de betrokkenheid van de veroordeelde bij de hennepteelt onvoldoende uit het dossier blijkt.
Het hof stelt vast dat de veroordeelde bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017 is veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten in een pand aan de [straat] en in een auto, telkens te Aalsmeer. De vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, niet gebaseerd op dit strafbare feit maar op
andere feitenin de zin van artikel 36e Sr.
Het openbaar ministerie heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk betrokken is geweest bij andere strafbare feiten en dat hij daarmee wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt slechts dat de veroordeelde enkele keren op de [straat] in Aalsmeer is gesignaleerd. Dit is onvoldoende om de daadwerkelijke betrokkenheid van de veroordeelde bij het telen van de hennepplanten (in een eerder stadium) vast te kunnen stellen. In dat licht bezien laat zich ook moeilijk vaststellen welk voordeel de veroordeelde daadwerkelijk uit deze andere feiten heeft behaald.
Gelet op het bovenstaande zal de ontnemingsvordering worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 september 2019.
mr. J.D.L. Nuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]