ECLI:NL:GHAMS:2019:479
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over bindendheid cao 2013-2016 voor FNV-leden bij Transavia
In deze zaak stond centraal of FNV-leden werkzaam bij Transavia gebonden zijn aan de cao 2013-2016, terwijl zij deze cao niet hebben aanvaard. De kantonrechter had geoordeeld dat de cao 2011-2013 onverminderd van toepassing was op de FNV-leden, ook na 1 mei 2016, en Transavia veroordeeld tot toekenning van tien ADV-dagen per jaar.
Het hof onderscheidt twee periodes: van 1 januari 2015 tot 1 mei 2016 en vanaf 1 mei 2016. Tot 1 mei 2016 zijn FNV-leden gebonden aan de cao 2011-2013 op grond van artikel 9 lid 1 Wet Pro CAO. Vanaf 1 mei 2016 geldt op grond van het incorporatiebeding in de individuele arbeidsovereenkomst de cao 2013-2016, ook al is deze zonder FNV gesloten met andere vakbonden die wel representatief zijn.
Het hof wijst het beroep van Transavia op redelijkheid en billijkheid af voor de periode tot 1 mei 2016 en oordeelt dat de nawerking van de cao 2011-2013 na die datum wordt verdrongen door de cao 2013-2016 vanwege het standaardkarakter en het incorporatiebeding. Het vonnis van de kantonrechter wordt daarom vernietigd voor zover het de toepassing van de cao 2011-2013 na 1 mei 2016 betreft, en de vorderingen van FNV worden afgewezen voor die periode.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd omdat partijen deels in het gelijk worden gesteld. Dit arrest verduidelijkt de werking van het incorporatiebeding en de rechtspositie van werknemers die lid zijn van een vakbond die niet partij is bij een nieuwe cao.
Uitkomst: FNV-leden zijn tot 1 mei 2016 gebonden aan cao 2011-2013 en vanaf die datum aan cao 2013-2016; het vonnis van de kantonrechter wordt deels vernietigd en deels bekrachtigd.