Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak is het hof Amsterdam geconfronteerd met een tussentijds arrest over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM). De politierechter had het OM niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, mede gelet op de aard en eenvoud van de feiten en het tijdsverloop.
Het OM ging in hoger beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De raadsman van de verdachte voerde preliminair verweer aan dat het OM het recht op vervolging had verspeeld door de overschrijding, dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden door seponering van de zaak tegen de zoon, en dat vernietiging van inbeslaggenomen wapens het recht op een eerlijk proces schond.
Het hof overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar hooguit tot strafvermindering. Ook werd geoordeeld dat de zaken van verdachte en zoon onvoldoende vergelijkbaar zijn om schending van het gelijkheidsbeginsel aan te nemen. De vernietiging van de wapens levert geen schending van het recht op een eerlijk proces op. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter, verklaarde het OM ontvankelijk en besloot het onderzoek te heropenen, te schorsen en op een later tijdstip te hervatten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter, verklaart het OM ontvankelijk en heropent het onderzoek.