ECLI:NL:HR:2008:BD2578
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad herijkt regels overschrijding redelijke termijn in strafzaken
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 juni 2008 de regels omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, zoals gewaarborgd in art. 6, eerste lid, EVRM, herijkt en samengevat. Dit betreft de behandeling van strafzaken binnen een redelijke termijn en de gevolgen van overschrijding daarvan, inclusief de wijze van strafvermindering.
De uitspraak verduidelijkt dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar doorgaans wordt gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf of het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad stelt concrete percentages en maxima vast voor strafvermindering afhankelijk van de duur van de overschrijding en het soort straf.
Verder worden de toetsingskaders voor de Hoge Raad als cassatierechter uiteengezet, waarbij de mate van toetsing aan het oordeel van de feitenrechter beperkt is tot onjuiste rechtsopvattingen of onbegrijpelijkheid. Ook wordt aangegeven wanneer de rechter ambtshalve moet onderzoeken of sprake is van overschrijding en wanneer niet.
De Hoge Raad benadrukt dat de redelijke termijn begint te lopen vanaf een handeling van de staat die redelijkerwijs de verwachting schept van strafvervolging, en dat de duur van de redelijke termijn afhankelijk is van factoren zoals complexiteit van de zaak, invloed van verdachte en voortvarendheid van autoriteiten.
In de concrete zaak oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatiefase is overschreden, maar dat de opgelegde voorwaardelijke straf van twee weken geen strafvermindering behoeft en volstaat met de constatering van de inbreuk. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zonder strafvermindering.