ECLI:NL:GHAMS:2019:5126
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte in hoger beroep wegens onvoldoende bewijs voor opzet bij btw-carrouselfraude
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor betrokkenheid bij een btw-carrouselfraude via de handel in mobiele telefoons. De medeverdachte, zijn zoon, initieerde en voerde de fraude uit, waarbij verdachte zijn eenmanszaak ter beschikking stelde. Hoewel verdachte meerdere aanwijzingen had dat er iets niet klopte, zoals contante stortingen en onjuiste vervoersdocumenten, bleek uit het dossier geen bewijs dat hij bewust de aanmerkelijke kans op strafbare feiten aanvaardde.
Het hof oordeelde dat verdachte een zware vorm van schuld had door onvoldoende toezicht en het nalaten van nader onderzoek, maar dat dit niet volstond voor het bewijs van voorwaardelijk opzet. De handel werd grotendeels door medeverdachte buiten het zicht van verdachte gehouden, die bovendien te goeder trouw handelde als behulpzame vader.
De rechtbank had verdachte veroordeeld, maar het hof verving de motivering en sprak hem vrij van de ten laste gelegde feiten. Het arrest bevestigt dat 'had moeten weten' onvoldoende is voor opzet en dat bewijs van bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans vereist is voor een veroordeling wegens btw-fraude.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet bij btw-carrouselfraude.