ECLI:NL:GHAMS:2019:622
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatig handelen bij nalatenschapsafwikkeling en schadevergoeding
In deze civiele zaak staat centraal de nalatenschapsafwikkeling na het overlijden van erflater, waarbij appellanten, als biologische kinderen van erflater, hun aanspraak op de nalatenschap pas na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap konden doen gelden. De geïntimeerde, broer van erflater, aanvaardde de nalatenschap zuiver en liet een verklaring van erfrecht opstellen waarin hij als enige erfgenaam werd vermeld, zonder melding van de mogelijke erfgenamen appellanten.
Appellanten stelden dat dit onrechtmatig was en vorderden schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Het hof bevestigde dat hoewel geïntimeerde wettelijk bevoegd was de nalatenschap te aanvaarden, zijn handelen onrechtmatig was omdat hij de notaris niet op de hoogte stelde van het bestaan van appellanten en hun aanspraken, terwijl hij hiervan op de hoogte was. Hierdoor kon hij beschikken over de nalatenschap en onttrok hij gelden die aan appellanten toekwamen.
Het hof verwierp het verweer van geïntimeerde dat hij handelde uit hoofde van zaakwaarneming en dat hij niet wist welke informatie relevant was voor de notaris. Ook het beroep op eigen schuld en matiging faalde. Het hof stelde de schade vast op €242.537,85, gebaseerd op een accountantsrapport, en veroordeelde geïntimeerde tot betaling van dit bedrag met wettelijke rente vanaf 7 december 2016, alsmede in de proceskosten.
Uitkomst: Geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van €242.537,85 schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 7 december 2016 wegens onrechtmatig handelen bij nalatenschapsafwikkeling.