AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling vergoeding onderzoeker in enquêteprocedure Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer Amsterdam behandelde een verzoek tot vaststelling van de vergoeding van een onderzoeker die een onderzoek verrichtte naar het beleid en de gang van zaken van een besloten vennootschap in liquidatie over de periode vanaf 1 september 2012. De onderzoeker had een verslag ingediend met een specificatie van de bestede uren en kosten, die werden vastgesteld op €21.295,80 exclusief btw.
Verzoekers en belanghebbenden dienden reacties in, waarbij inhoudelijke bezwaren tegen het onderzoeksrapport werden geuit, maar deze betroffen niet de redelijkheid van de kosten. De Ondernemingskamer oordeelde dat de kosten binnen het vastgestelde budget van €40.000 bleven en dat de vergoeding redelijk was. De inhoudelijke bezwaren kunnen pas in een andere procedure worden behandeld, en de vraag wie de kosten uiteindelijk draagt, kan in een aparte procedure worden beoordeeld.
De Ondernemingskamer bepaalde daarom de vergoeding van de onderzoeker conform artikel 2:350 lid 3 BWPro en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking werd uitgesproken op 6 maart 2019 door de voorzitter en raadsheren van de Ondernemingskamer.
Uitkomst: De vergoeding van de onderzoeker wordt vastgesteld op €21.295,80 exclusief btw.
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 2 augustus 2018, 8 augustus 2018, 11 december 2018 en 31 januari 2019 alsmede de beschikking van de raadsheer-commissaris van 24 december 2018 in deze zaak.
1.3
Bij de beschikkingen van 2 en 8 augustus 2018 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [C] over de periode vanaf 1 september 2012, drs. E.A. Marseille RA (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding – [D] en [E] geschorst als bestuurders van [C] , drs. H.C. van Eyck van Heslinga als tijdelijk bestuurder van [C] benoemd en bepaald dat de aandelen in [C] – telkens met uitzondering van één aandeel – van ieder van de aandeelhouders ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. A.L. Leuftink. Het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten is vastgesteld op € 40.000 (exclusief omzetbelasting).
1.4
Op 31 januari 2019 is ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen het door de onderzoeker ondertekende verslag (met bijlagen) van voormeld onderzoek, gedateerd 30 januari 2019. De griffier heeft het verslag met bijlagen op diezelfde dag ter griffie van de Ondernemingskamer gedeponeerd. Met het oog op de vaststelling van haar vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief bij het onderzoeksverslag van 30 januari 2019 een specificatie van de aan het onderzoek bestede uren en kosten gevoegd. Deze specificatie sluit op een bedrag van € 21.295,80 (exclusief btw).
1.5
Bij de beschikking van 31 januari 2019 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag van de onderzoeker met de bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikking partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding van de onderzoeker.
1.6
Mr. Stekelenburg heeft namens [A] c.s. gereageerd bij e-mail van 8 februari 2019. [D] heeft zijn reactie gegeven bij e-mail van 13 februari 2019 aan de Ondernemingskamer en [F] heeft de Ondernemingskamer bericht bij e-mail van 18 februari 2019.
2.De gronden van de beslissing
2.1
[A] c.s. hebben zich ten aanzien van de vaststelling van de kosten van het onderzoek gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2.2
[D] heeft, mede namens [E] , aangevoerd dat de onderzoeker niet de juiste informatie van Countus heeft gebruikt en hij heeft kritiek op de door de Ondernemingskamer aangestelde functionarissen. [D] stelt dat inbreng op het concept-rapport onvoldoende dan wel niet objectief is verwerkt en vraagt zich af of de onderzoeker onder druk is gezet. Volgens [D] heeft de onderzoeker het beginsel van hoor en wederhoor niet juist toegepast. [D] merkt op dat enkel wordt gekeken naar het verleden in plaats gezocht naar oplossingen.
2.3
[F] heeft zich ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het rapport gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. Wel merkt zij op dat de kosten voor onder meer het onderzoek door [B] zijn betaald en door hem worden verrekend met een lening die hij privé met [C] heeft afgesloten. Of het terecht is dat de kosten voor het onderzoek en de extra kosten die zijn gemaakt voor het verzoek ex artikel 2:352 BWPro voor rekening van [C] komen, laat [F] over aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2.4
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De in rekening gebrachte (gespecificeerde) kosten overschrijden het vastgestelde budget niet. De vergoeding komt de Ondernemingskamer niet onredelijk voor. [D] en [F] hebben bezwaren aangevoerd tegen het rapport. Deze bezwaren zien evenwel niet op de kosten van het onderzoek, maar zijn, wat [D] betreft, inhoudelijke bezwaren tegen het rapport en, wat [F] betreft, bedenkingen tegen de wijze waarop deze kosten worden betaald en voor wiens rekening deze kosten komen. De bezwaren van [D] kunnen pas aan de orde komen in een eventuele procedure ex artikel 2:355 BWPro (verzoek vaststelling wanbeleid), waarin de inhoud van het rapport centraal staat. De vraag of een ander dan de vennootschap de kosten van het onderzoek uiteindelijk dient te dragen, kan in het kader van een eventueel verzoek op grond van artikel 2:354 BWPro (verhaal van kosten) worden beoordeeld. Hiervoor kan aanleiding zijn ten aanzien van degene(n) waarvan uit het rapport blijkt dat deze verantwoordelijk is (zijn) voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken. In dit stadium wordt enkel beoordeeld of de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen zijn gebleven. De Ondernemingskamer heeft reeds geoordeeld dat dit het geval is. Zij zal daarom de vergoeding van de onderzoeker – op de voet van artikel 2:350 lid 3 BWPro – bepalen als hierna te vermelden.
3.De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 21.295,80, de verschuldigde omzetbelasting daaronder niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en drs. C. Smits-Nusteling RC, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Prins, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.M.M. Tillema op 6 maart 2019.