ECLI:NL:GHAMS:2019:816
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep woninginbraak: onvoldoende bewijs voor veroordeling, vrijspraak bevestigd
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor een woninginbraak. Het openbaar ministerie had hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van de politierechter en eiste een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan één maand voorwaardelijk.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof het dossier en de processtukken zorgvuldig onderzocht. Hoewel er aanwijzingen waren dat de verdachte betrokken zou kunnen zijn, ontbrak het aan voldoende wettig bewijs om dit met redelijke zekerheid vast te stellen. Getuigenverklaringen waren vaag en niet eenduidig, en er was geen herkenning van de verdachte door de getuigen die de mogelijke daders hadden gezien.
Technisch bewijs, zoals het onderzoek naar schoensporen, leverde eveneens geen overtuigende koppeling op tussen de verdachte en het gepleegde feit. Het ontbreken van een directe koppeling van de schoenen en het ontbreken van ander technisch bewijs leidde tot het oordeel dat de verdachte niet wettig en overtuigend schuldig kon worden bevonden.
Daarom heeft het hof het vonnis van de politierechter bevestigd en de vrijspraak gehandhaafd. De overwegingen ten aanzien van de vrijspraak zijn wel vervangen en verduidelijkt in dit arrest.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid bij woninginbraak.