De man en vrouw zijn gehuwd en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. De vrouw is in maart 2015 met het kind naar Duitsland verhuisd, waar het kind sindsdien woont en naar school gaat.
De man verzocht de Nederlandse rechter om de vrouw te verbieden met het kind naar Duitsland te verhuizen en de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, wat het hof bevestigt. Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind in Duitsland is, gelet op de duur van het verblijf, schoolgang en sociale integratie.
De man heeft niet binnen een jaar na kennisname van het vertrek een verzoek tot terugkeer ingediend, en heeft berust in de overbrenging. De Nederlandse rechter is daarom niet bevoegd op grond van Brussel II-bis. Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.