ECLI:NL:GHAMS:2020:1011
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afwijzing geldleningvordering tussen zussen
In deze zaak vordert appellante, een zus, terugbetaling van geldbedragen die zij tussen april 2008 en april 2016 aan haar zus, geïntimeerde, heeft overgemaakt. De kantonrechter wees deze vordering af wegens onvoldoende bewijs van een geldlening. Appellante kwam in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een geldlening. Daarnaast betoogt appellante subsidiair dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan. Het hof oordeelt dat de bewijslast hiervoor bij appellante ligt en dat zij onvoldoende heeft gesteld en bewezen dat er geen rechtsgrond voor de betalingen was.
De stelling dat er een andere rechtsverhouding bestond die tot terugbetaling verplicht, wordt door het hof te vaag en onvoldoende onderbouwd bevonden. Gezien het voorgaande worden de grieven van appellante verworpen en wordt het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding tot kostencompensatie, omdat appellante met haar beroep de wederpartij onnodig op kosten heeft gejaagd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot terugbetaling van geldleningen af.