Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen de vrijspraak van de politierechter wegens het voorhanden hebben van een nepwapen, een nabootsing van een Beretta pistool, op 9 augustus 2015 in Amsterdam. De verdachte werd ervan verdacht het nepwapen in een zwarte sporttas bij zich te hebben gehad in een supermarkt en op de openbare weg.
De verdediging voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was en dat sprake was van bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv, omdat geen redelijk vermoeden van schuld bestond. Dit verweer werd door het hof verworpen omdat niet aan de wettelijke vereisten was voldaan en bovendien toestemming was gegeven om de tas te doorzoeken. De verdachte ontkende dit, maar zijn ontkenning werd niet ondersteund door bewijs.
Het hof stelde vast dat de verdachte zich bewust was van het bezit van het nepwapen, mede doordat hij de tas uit de buddyseat haalde en meenam. Het bewezenverklaarde betrof het voorhanden hebben van een nepwapen dat een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. Het hof oordeelde dat dit strafbaar was volgens de Wet wapens en munitie.
De straf werd vastgesteld op 4 weken gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het hof nam mee dat het bezit van nepwapens in het publieke domein een gevaar voor de openbare veiligheid vormt, zeker in een druk bezochte supermarkt en op de openbare weg.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof sprak de verdachte schuldig uit en legde de gevangenisstraf op, met aftrek van voorarrest.