Het geschil betreft een klacht van klagers tegen een notaris over diens zorgplicht bij het opstellen van een akte van geldlening met borgtocht. Klagers stelden dat de notaris hen niet had voorgelicht over het verschil tussen een authentieke en een onderhandse akte, met name over de executoriale kracht en de gevolgen voor de tenuitvoerlegging.
De feiten betreffen een koopovereenkomst van vier winkels en bijbehorende activa, waarbij een deel van de koopprijs werd gefinancierd via een geldlening met borgtocht. De notaris stelde een onderhandse akte op zonder klagers te informeren over de keuze en de juridische consequenties daarvan.
Het hof oordeelt dat de notaris in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door niet te informeren over de keuze tussen authentieke en onderhandse akte, en dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ook was de voorlichting over het verrekeningsbeding onvoldoende. Andere klachten werden ongegrond verklaard. Het hof bevestigt de waarschuwing en veroordeelt de notaris tot betaling van kosten aan klagers en het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.