ECLI:NL:GHAMS:2020:1191

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2020
Publicatiedatum
7 mei 2020
Zaaknummer
23-004608-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling invoer cocaïne via luchthaven Schiphol

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2019, waarin verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van cocaïne via de luchthaven Schiphol.

Tijdens de zitting in hoger beroep op 23 april 2020 werd het verweer van verdachte besproken dat hij zijn trolley met citrusvruchten niet als handbagage had bij zich, omdat deze op verzoek van het cabinepersoneel in het ruim van het vliegtuig was geplaatst. Het hof achtte dit scenario niet aannemelijk en verwierp het als ongeloofwaardig.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar verving de bewijsoverweging en de strafmotivering gedeeltelijk. Gelet op de ernst van het bewezen feit achtte het hof de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden passend en geboden.

De verdachte werd dus veroordeeld voor het binnenbrengen van cocaïne verpakt in citrusvruchten, waarbij het hof het uitgangspunt hanteerde dat een passagier bekend is met de inhoud van zijn bagage, tenzij bijzondere omstandigheden dit tegenspreken. Deze uitzonderingsgrond was in deze zaak niet aannemelijk gemaakt.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2020.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf voor invoer van cocaïne via Schiphol.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004608-19
datum uitspraak: 7 mei 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-211694-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1964,
thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 april 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
  • de bewijsoverweging van de rechtbank (onder kopje 3.4) vervangt, en;
  • de laatste zin van de strafmotivering van de rechtbank (onder kopje 6.3), te weten:

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.
vervangt door de zinnen:

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden passend en geboden.’.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet wist dat in zijn trolley cocaïne aanwezig was.
Evenals de rechtbank stelt het hof voorop dat in zaken als deze als uitgangspunt geldt dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich voert bekend is met de inhoud daarvan.
Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering, indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de passagier met de inhoud van de koffer niet bekend was.
Onbetwist is dat in de trolley van de verdachte citrusvruchten met daarin cocaïne bij aankomst in Nederland op Schiphol werden aangetroffen.
Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 2 september 2019 met een vlucht vanuit Suriname is aangekomen op Schiphol. In het proces-verbaal van bevindingen is door verbalisant [verbalisant] vervolgens gerelateerd dat de verdachte hierbij als handbagage een trolley met zich voerde, die – zo later bleek – sinaasappels met daarin cocaïne bevatte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat hij “er in is geluisd” en dat de voornoemde verbalisant het proces-verbaal niet naar waarheid heeft opgemaakt. De verdachte had de trolley niet als handbagage bij zich toen hij door de verbalisant werd aangesproken, want die was door het cabinepersoneel op Sanderij van hem afgenomen en in het ruim van het vliegtuig geplaatst. Dat de verdachte tegenover de verbalisant over de sinaasappels heeft verklaard is ook niet juist.
Het dossier bevat geen aanwijzingen voor de juistheid van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij zijn handbagage in Suriname op verzoek van de bemanning had afgegeven om in het ruim te worden vervoerd, waarna – zo begrijpt het hof de stelling van de verdachte – de citrusvruchten met cocaïne door anderen in zijn handbagage zouden zijn gestopt.
De stelling van de verdachte voor zover die inhoudt dat de verbalisant in het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal niet geheel naar waarheid heeft gerelateerd is, bij gebreke aan enige aanwijzing daartoe en gelet op het bepaalde in artikel 344 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet aannemelijk.
Gelet op het voorgaande acht het hof het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk en schuift die verklaring als ongeloofwaardig ter zijde.
Nu overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot een uitzondering op het voor genoemde uitgangspunt nopen, kan ook aangenomen worden dat de verdachte wist dat hij cocaïne verpakt in citrusvruchten binnen Nederland heeft gebracht.
Het verweer wordt ook in hoger beroep verworpen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.J.A. Plaisier en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van
mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
7 mei 2020.
=========================================================================
[…]