ECLI:NL:GHAMS:2020:1214
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling hoofdverblijfplaats kinderen en kinderalimentatie na echtscheiding met internationale aspecten
In deze zaak speelde de vraag welke rechter bevoegd is om te beslissen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding na de echtscheiding van partijen met internationale aspecten. De Poolse rechter was bevoegd voor de echtscheiding, maar niet voor de nevenvoorzieningen, waarvoor de Nederlandse rechter bevoegd werd geacht op grond van Brussel II-bis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
De kinderen verblijven feitelijk bij de man, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam betrokken zijn. Diverse rapportages en adviezen, waaronder van Altra, wezen op de noodzaak van traumabehandeling en een stabiele woonomgeving. De vrouw wilde de hoofdverblijfplaats bij haar behouden, terwijl de man handhaafde dat de kinderen bij hem blijven.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen het best gediend is met continuering van de huidige situatie bij de man, mede omdat de kinderen daar rust en stabiliteit ervaren. Het verzoek van de vrouw tot kinderalimentatie werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat de kinderen sinds januari 2019 feitelijk bij de man verblijven. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen omdat de hoofdzaak werd afgedaan.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de man vastgesteld en het verzoek tot kinderalimentatie wordt afgewezen.