Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
Wijhebben totaal gezamenlijk in totaal € 10.000.” Ze zei letterlijk “Wij”. ”
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele familierechtelijke zaak stond centraal of de vrouw recht had op betaling van €10.000 van de man, een bedrag dat zij stelde aan hem te hebben verstrekt in 2009 tijdens een vakantie in Marokko. De vrouw beweerde dat het geld uit haar spaargeld bestond, deels gestort op de rekening van de man en deels contant aan hem gegeven. De man betwistte dit en stelde dat het geld zijn eigen spaargeld was.
De vrouw bracht getuigenverklaringen in, waaronder die van zichzelf, haar vader en zus, die haar stellingen ondersteunden. De man bracht tegenbewijs in met getuigenverklaringen van zichzelf, vrienden, zijn broer en anderen, die onder meer verklaarden dat hij wel degelijk spaargeld had en het geld niet van de vrouw was. De vader en zus van de vrouw beriepen zich in contra-enquête op hun verschoningsrecht.
Het hof oordeelde dat de verklaring van de vrouw als partijgetuige niet voldoende werd ondersteund door aanvullende sterke bewijzen en dat de verklaringen van de man en zijn getuigen het tegenbewijs overtuigend vormden. De vrouw slaagde er niet in aan te tonen dat het geld van haar was. Daarom werd de vordering van de vrouw afgewezen en het bestreden vonnis vernietigd voor zover het haar betaling aan de man toekende.
Daarnaast werd geoordeeld dat de vrouw de door de man reeds betaalde bedragen op grond van het vernietigde vonnis moest terugbetalen. De proceskosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis voor zover het aan het hoger beroep onderworpen was en wees overige vorderingen af.
Uitkomst: De vordering van de vrouw tot betaling van €10.000,- aan haar wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen.