Klager, een voormalig lid van de Bijzondere Bijstandseenheid Mariniers (BBE-M), diende een beklag in tegen het besluit van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen tegen een advocaat die namens nabestaanden van twee omgekomen kapers bij de treinkaping De Punt uitlatingen deed die volgens klager smaad, laster en belediging vormden.
Het beklag betrof drie uitlatingen van de advocaat in de media na een tussenvonnis in een civiele procedure tegen de Staat over de dood van de kapers. Klager stelde dat deze uitlatingen de eer en goede naam van het Korps Mariniers en de BBE-M aantasten, waardoor hij vervolging wenste.
Het hof oordeelde echter dat klager niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat hij niet persoonlijk en rechtstreeks was getroffen door het uitblijven van vervolging. De uitlatingen betroffen alleen degenen die betrokken waren bij de bevrijdingsactie, waaraan klager niet deelnam.
Daarom werd klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag en het beklag werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.