De betrokkene werd door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor meermalen gepleegde mensenhandel en tot betaling van €44.200 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld.
Het hof baseerde zich op de door slachtoffers ingediende schadevergoedingsformulieren die de materiële schade en gederfde inkomsten weergeven. Deze vorderingen waren niet inhoudelijk betwist en werden door het hof toegewezen. De financiële rapportage van het Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel werd slechts gedeeltelijk gevolgd, omdat de daarin genoemde kosten niet onderbouwd waren.
Uiteindelijk stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €300.885, gelijk aan de materiële schade van drie slachtoffers. De betrokkene werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling voor het geval van niet-betaling vastgesteld op maximaal 1080 dagen.
Deze beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en vormt een sequeel op de strafzaak waarin de betrokkene ook tot gevangenisstraf en terbeschikkingstelling werd veroordeeld.