Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
Artikel 2 – alimentatie
Gerechtshof Amsterdam
Partijen waren van 2003 tot 2009 gehuwd en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. In het echtscheidingsconvenant van 2009 is een nihilbeding opgenomen dat na ontbinding van het huwelijk geen partneralimentatie verschuldigd is, gebaseerd op het feit dat beide partijen toen in eigen levensonderhoud konden voorzien.
Na de echtscheiding hebben partijen hun relatie hervat en zijn in 2013 gaan samenwonen, maar in 2018 is de relatie definitief beëindigd. De vrouw verzocht om partneralimentatie, stellende dat gewijzigde omstandigheden zoals veranderde woonlasten en het wegvallen van kindgebonden budget een herziening rechtvaardigen. De man betwistte dit en stelde dat het nihilbeding nog steeds van toepassing is.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende bewijs leverde van relevante wijziging van omstandigheden die het nihilbeding zouden doorbreken. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige werd definitief bij de vader vastgesteld, met een zorg- en vakantieregeling die partijen in onderling overleg dienen in te vullen. De beschikking van de rechtbank werd op dit punt vernietigd en aangepast.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om partneralimentatie af en bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader met een zorgregeling in onderling overleg.